Original youtube description:

DE WENS DER EEUWEN. HOOFDSTUK 29. SABBAT. Toen Jezus Zich tot de Farizeeën wendde met de vraag of het geoorloofd is op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, leven te redden of te doden, stelde Hij hen oog in oog met hun eigen verdorven bedoelingen. Zij achtervolgden Zijn leven met bittere haat, terwijl Hij velen het leven redde en waar geluk bracht. Was het beter op de sabbat te doden, zoals zij van plan waren, dan de zieken te genezen, zoals Hij gedaan had? Was het rechtvaardiger om op Gods heilige dag misdaad in het hart te dragen dan alle mensen lief te hebben, wat tot uitdrukking komt in weldaden? Door de verdorde hand te genezen, veroordeelde Jezus de gewoonten van de Joden en liet het vierde gebod in zijn waarde die God daaraan gegeven had. Het is geoorloofd op de sabbat wel te doen, verklaarde Hij. Mattheüs 12:12. Door de nutteloze opmerkingen van de joden opzij te zetten, eerde Christus de sabbat, terwijl zij die Hem aanklaagden, Gods heilige dag onteerden. Zij die beweren, dat Christus de wet heeft afgeschaft, leren dat Hij de sabbatswet heeft overtreden en Zijn discipelen het recht gaf om hetzelfde te doen. Aldus nemen ze in werkelijkheid hetzelfde standpunt in als de vittende joden. Daarmee spreken ze het getuigenis van Christus Zelf tegen, Die verklaarde: Ik heb de geboden Mijns Vaders bewaard en blijf in Zijn liefde. Johannes 15:10. Noch de Heiland noch Zijn volgelingen verbraken het sabbatgebod. Christus was een levend getuigenis van de wet. Geen overtreding van de heilige voorschriften daarvan werd in Zijn leven gevonden. Terwijl Hij neerzag op een heel volk van getuigen die een gelegenheid zochten om Hem te veroordelen, kon Hij onbetwist zeggen: Wie van u overtuigt Mij van zonde? Job 8:46. De Heiland was niet gekomen om op te heffen wat patriarchen en profeten gesproken hadden, want Hijzelf had gesproken door deze mensen die Hem vertegenwoordigden. Alle waarheden van Gods Woord kwamen van Hem.